Close

Anne-May Wachters-van der Grinten

Dit boek gaat over een donkere kant van het christendom. Het wil laten zien hoe in de eerste eeuwen van onze jaartelling vanuit een religieuze onenigheid binnen het jodendom het antisemitisme is ontstaan. Het zal een twist blijken die binnen het kader van het christendom in de loop der eeuwen is uitgegroeid tot een heel systeem van uitsluiting, isolement, achtervolging en tenslotte zelfs moord. Met dit boek wil ik de lezer een zo helder mogelijk beeld verschaffen van het ontstaan en de ontwikkeling van het anti-joodse denken vanaf het christendom in de eerste eeuw na Christus tot de dag van vandaag. Bij de analyse van deze ontwikkeling heb ik met name gebruik gemaakt van de theologische en historische literatuur van de zogenaamde ‘Theologie na Auschwitz’, waarvan een aantal auteurs in de literatuurlijst is opgenomen. Voor zover mogelijk is geput uit de originele geschriften uit vroeger eeuwen. Een aantal daarvan zijn bereikbaar via internet, en zijn eveneens achter in het boek opgenomen.

 

Tijdens een reeks lezingen die ik gaf over dit onderwerp bleek dat het lastig was voor de toehoorders om de bekende Bijbelteksten, zoals de evangeliën en de brieven van Paulus, door een andere bril te gaan lezen en daarbij attent te zijn op de daarin steeds herhaalde kritiek op het jodendom. Eén toehoorder stond op en zei: ‘Ik moet ineens links rijden, en dat lukt me niet.’ Kortom: de godsdienstwetenschappelijke benadering van het feit dat zich binnen het christendom, dat oorspronkelijk slechts een afscheiding was van het jodendom, een afkeer en zelfs haat tegen joden en hun godsdienst ontwikkelde, was en is, voor mensen die in de geest van het christendom zijn opgegroeid, een moeilijk en pijnlijk onderwerp. Het leidde bij mijn toehoorders zelfs af en toe tot boosheid: ‘waarom weten wij dit niet?’ Ik kreeg dan ook herhaaldelijk het verzoek of ik alles niet eens op wilde schrijven in eenvoudige taal, want ‘het moet geweten worden’. Dit gaf mij zoveel motivatie dat ik, na nog eens een grondig literatuuronderzoek te hebben gedaan, dit boek heb geschreven.

 

Men zegt wel: ‘het antisemitisme is van alle tijden’. Deze stelling behoeft enige nuancering. Historisch gezien is de term antisemitisme een begrip dat pas in de negentiende eeuw is ontstaan, als gevolg van de nieuwe rassentheorie die men gekoppeld had aan de eveneens nieuwe taalwetenschap. Naast de Arische taal, die de bron zou zijn van de Indo Europese talen, had men een Semitische taal aangenomen, die gesproken werd door joden en Arabieren. Hieruit ontstond het idee van een superieur Arisch ras, en een inferieur Semitisch ras. Vervolgens ging men de term antisemitisme alleen voor joden gebruiken, en de term ook toepassen op alle anti-joodse uitlatingen in het verleden. Om verwarring te voorkomen wordt daarom in dit boek de term antisemitisme pas vanaf de negentiende eeuw gebruikt. Voor de tijd daarvoor worden de termen anti-joods en anti-judaïsch aangehouden. Anti-joods betekent dan een algemeen sentiment van afkeer van joden, de termen anti-judaïsch en anti-judaïsme hebben betrekking op de religieuze argumenten die ingebracht worden tegen de joodse godsdienst.

 

Waar anti-judaïsche argumenten pas een rol zijn gaan spelen in het christendom, zijn anti-joodse sentimenten echter wél van alle tijden. Al vanaf de derde eeuw voor Christus hadden Griekse en Egyptische schrijvers hun afkeer van het jodendom op schrift gezet. Het waren de bekende bezwaren van een meerderheid die zich richten tegen een minderheid die onbegrijpelijk gedrag vertoont, en daardoor achterdocht en wantrouwen wekt. Dat kan op diverse manieren tot uiting komen. Door valse beschuldigingen aan het adres van de minderheid, met name beschuldigingen die beledigend zijn en soms zelfs tot agressie kunnen leiden. Of door de minderheid te dwingen deel te nemen aan het maatschappelijke en religieuze leven van de meerderheid, hetgeen bijna altijd tot geweld leidt waardoor de minderheid zich terug trekt in zijn eigen identiteit.

 

De kritiek op het gedrag van de joden was aanvankelijk allereerst gericht op het feit dat zij zich als groep afsloten en er eigen regels en wetten op na hielden. Pas toen de religie mee ging spelen en het misnoegen zich toespitste op het religieuze ‘anders zijn’, waarbij de claim van het bezitten van ‘de waarheid’ een rol ging spelen, werd de sfeer vijandig. Op dit moment in de geschiedenis, de eerste eeuw na Christus, toen de strijd van het christendom tegen het jodendom begon, vond er een stapeling plaats van anti-judaïsche en anti-joodse bezwaren die in de loop van de eeuwen steeds uitgebreider en agressiever zullen worden.

 

De grote vraag is: wat is er gebeurd in die eerste eeuw, en waarom is de jodenhaat in de geschiedenis zo heftig geëscaleerd dat geen enkele instantie in staat bleek het te kunnen beheersen. De joden werden agressief vervolgd ondanks het feit dat de overheden af en toe probeerden de samenleving te kalmeren, en de pausen met hun brieven en pauselijke bullen trachtten het volkse bijgeloof over de duivelse intenties van de joden te ontzenuwen.

 

Een cruciale rol in het ontstaan van die afkeer en boosheid ten opzichte van de joden is te vinden in de teksten van het Nieuwe Testament. In de laatste decennia van de eerste eeuw na Christus hadden zich duidelijk twee religieuze geloofsgemeenschappen gevormd die tegenover elkaar stonden. De christenen, een groep die bestond uit joden die christen waren geworden, en uit heidenen die christen waren geworden. En een groep die bestond uit joden, die Jezus niet als de Messias aannamen en vasthielden aan hun eigen religieuze overtuiging. Er ontstonden ruzies en beschuldigingen tussen de twee groepen. Met name de joden die christen waren geworden, beschuldigden de joden die joods waren gebleven van allerlei ondeugden, zoals een onjuist begrip van hun eigen Heilige Schrift, de Hebreeuwse Bijbel, en bovenal het verwijt dat zij niet in Jezus geloofden. De joden maakten bezwaar tegen de pogingen van de christenen hen te bekeren tot het geloof in Jezus.

 

Daar bleef het niet bij. Aan het einde van de eerste eeuw na Christus gingen volgelingen van Jezus hun misnoegen ten opzichte van de ‘ongelovige joden’ opschrijven in niet mis te verstane woorden, en verwerkten het geheel in een verhaal over het leven van Jezus, de evangeliën. Waarbij zij Jezus al hun bezwaren tegen de joden lieten vertolken. De schrijvers laten Jezus vijandige gesprekken en lange tirades tegen de Schriftgeleerden en de Farizeeën uitspreken, en zelfs ‘de joden’ als geheel vervloeken. Tenslotte worden de joden ervan beschuldigd dat zij Jezus gedood hebben. Dit werd opgeschreven in de vier evangeliën, die samen met de brieven van Paulus de belangrijkste geschriften van het Nieuwe Testament vormen. Het was geen opzet van de schrijvers, het was niet hun intentie de waarheid te vervalsen en hun lezers te bedriegen. Het was een algemeen gebruikelijke methode in die tijd om de werkelijkheid weer te geven zoals men meende dat hij was geweest of in ieder geval had moeten zijn. De schrijvers gaven hun eigen wereldbeeld weer en lieten dat Jezus verwoorden, zo’n 40 tot 70 jaar na zijn dood. In het hoofdstuk De geschriften van het Nieuwe Testament zal hier uitgebreid op worden ingegaan.

 

Uiteindelijk zal het conflict leiden tot een definitieve breuk en tot vijandschap tussen christenen en joden. Om de historische ontwikkeling van beide groepen en hun positie in het Romeinse Rijk duidelijk te maken is in hoofdstuk III Kerkvaders en Keizers, aandacht geschonken aan de speciale positie van de keizer in het Romeinse rijk, en hoe de algemene houding van de Romeinen was tegenover hen onbekende godsdiensten. Naarmate zij meer oorlog voerden en meer vreemde gebieden inlijfden, moesten zij immers steeds opnieuw hun houding bepalen. Zowel hun tolerantie als hun intolerantie ten opzichte van het jodendom en het jonge christendom worden beschreven en tevens de problemen die dat opleverde voor beide groepen.

 

(Dit is een deel van de inleiding van De erfenis van Pilatus)

 

Hoofdstuk 1: De Geschriften van het Nieuwe Testament


De geschiedschrijving over Jezus

De niet-Bijbelse bronnen

Wat weten wij over Jezus? Heel erg weinig. Wij moeten het doen met de informatie die de schrijvers van de evangeliën ons geven, want er zijn geen contemporaine verwijzingen naar Jezus behalve wat er in de Bijbel staat. Er zijn zelfs onderzoekers die menen dat Jezus helemaal niet bestaan heeft, dat hij eerder een samensmelting is van al de predikers die er rondliepen in die tijd vol verwarring en verwachtingen van een goddelijk ingrijpen. Dat standpunt is grotendeels verlaten. Jezus heeft wel degelijk bestaan meent men nu, en we moeten proberen uit de evangeliën te distilleren wat wél en wat niet van Jezus afkomstig is.

 

Latere niet-christelijke bronnen vermelden wel een en ander over de historische Jezus, hoewel die teksten niet allemaal even betrouwbaar zijn. Zo meldt Josephus in zijn Oude Geschiedenis van de Joden, geschreven in 93 toen hij in Rome woonde:
‘In die tijd trad Jezus op, een wijs man, als het passend is hem ‘een man’ te noemen.
Want hij verrichtte ongelofelijke daden en was een leraar van hen die gaarne de
waarheid aannemen. Hij verwierf veel aanhang onder Joden zowel als Grieken. Hij was de Christus.

 

Toen Pilatus hem op de aanklacht van prominenten uit ons midden had veroordeeld tot de kruisdood, hield de liefde van zijn vroegere aanhangers niet op. Herleefd verscheen hij aan hen op de derde dag, aangezien de profeten van God dit feit en duizend andere verbazingwekkende dingen over hem hadden aangekondigd. Nog tot op heden is de naar hem genoemde stam der christenen niet verdwenen.’

 

Deze tekst wordt gezien als hoogst verdacht. Josephus zou als farizese jood Jezus nooit Christus, de gezalfde, genoemd hebben, en ook de opstanding met een beroep op de profeten is zeer onwaarschijnlijk. Geleerden menen dat de tekst door een christelijke kopiist later is ingevoegd, of dat de originele tekst ingrijpend is herschreven. In ieder geval wordt dit fragment niet gezien als een bruikbare verwijzing naar Jezus.

 

Plinius de Jongere voerde omstreeks 112 een correspondentie met keizer Trajanus over de bijeenkomsten van de christenen in Bythinië waar hij stadhouder was. Hij vertelt de keizer dat zij een hymne zingen ‘tot Christus als een God’. En dat er beschuldigingen tegen hen ingebracht zijn. Wat moet hij ermee doen? Moet hij verder onderzoeken, straffen misschien? De keizer antwoordt heel verstandig. Je hoeft niet actief te zoeken naar christenen zegt hij. ‘Als ze worden aangegeven en hun schuld wordt bewezen, moeten ze gestraft worden, maar als iemand ontkent christen te zijn en dat bewijst door een gebed tot onze goden te richten, dan moet zijn berouw ook leiden tot vergiffenis, ongeacht hoe verdacht zijn verleden. Anonieme beschuldigingen mogen nooit een rol spelen in een beschuldiging.’ Deze teksten vertellen ons echter niets over de historische Jezus.

 

Tacitus, een Romeins historicus, vertelt in zijn Annalen (omstreeks 115) over keizer Nero die, om de geruchten de kop in te drukken dat hij de brand van Rome veroorzaakt had, de schuld gaf aan een groep die zich christenen noemden:
‘Een groep lieden alom gehaat vanwege hun verwerpelijke misdaden. Zij ontlenen hun naam aan een zekere Christus, die onder de regering van Tiberius (14-37 na Christus) op bevel van de procurator Pontius Pilatus was terechtgesteld. Na een tijd te zijn onderdrukt brak dit fatale bijgeloof opnieuw uit, niet alleen in Judea waar dit kwaad ontstond, maar ook in Rome, waar allerlei afschuwelijke en schandelijke praktijken van over de hele wereld samenstromen en naarstig plegen te worden gekoesterd.’

 

Tacitus vermeldt kennelijk wat intellectuele Romeinen uit het begin van de tweede eeuw wisten te vertellen over wat een halve eeuw eerder gebeurd was. Of wat men meende dat gebeurd was. Doordat Tacitus verdere uitleg over de ‘schandelijke praktijken’ weglaat, wordt de fantasie van de lezer gestimuleerd, een methode die we vaker gaan terugzien. 

 

De Romeinse schrijver Suetonius schrijft in zijn Leven van Claudius (ca 120) dat deze keizer de joden uit Rome verdreef omdat ze voortdurend problemen veroorzaakten ‘op aanstichten van Chrestus’. Het edict van Claudius met het bevel dat de joden Rome moesten verlaten, wordt omstreeks 50 gedateerd en wordt ook in Handelingen genoemd (18.2). Wie deze man was, deze Chrestus, wordt niet duidelijk. Was het een persoon die claimde dat hij de Messias was? Of gaat het hier om een ruzie tussen joden die meenden dat Jezus de Messias was en joden die dat afwezen? Maar we schieten hier niet veel mee op, behalve dan dat je zou kunnen constateren dat er omtrent het jaar 50 al christenen waren in Rome. 

 

Deze citaten bewijzen allereerst dat minderheden, zoals de christenen toen waren, altijd wrevel opwekken, omdat ze zich anders gedragen en daardoor onbegrip oproepen. Er wordt zelfs gesproken over ‘afschuwelijke en schandelijke praktijken’. Wanneer later in de geschiedenis de christenen de meerderheid zullen vormen, zullen zij hetzelfde gedrag gaan vertonen ten opzichte van de joodse minderheid. Ook vertellen deze citaten ons dat Jezus niet erg bekend was. Hij was kennelijk minder belangrijk dan bijvoorbeeld Johannes de Doper, of ‘de Egyptenaar’. Johannes krijgt veel aandacht van Antipas die hem tenslotte laat vermoorden, en ook Josephus maakt melding van deze gebeurtenis. En ‘de Egyptenaar’ is er zelfs in geslaagd een heel Romeins legertje op de been te krijgen. Jezus echter werd haastig opgepakt, berecht en terechtgesteld. Over het proces van Jezus is behalve in de evangeliën nergens iets terug te vinden. Pilatus wordt wél vermeld in de Romeinse geschiedschrijving, maar krijgt weinig aandacht. Hij was een prefect van een kleine en onbetekenende provincie. Daarentegen wordt Pilatus uitgebreid behandeld door Josephus en Philo, en wel in zeer negatieve termen.

 

Omdat er verder geen andere bronnen zijn is het ook gissen naar Jezus’ geboorte en sterfdatum. Wat de geboorte betreft zijn de gegevens uit de evangeliën controversieel: Herodus stierf in 4 voor Christus en de volkstelling van Quirinius uit het Lucas-evangelie vond pas plaats in 6 ná Christus. Men neemt over het algemeen een geboortedatum aan in 4 of 5 voor Christus. Gezien de data van de personen die een rol speelden tijdens het openbare leven van Jezus en de vermelding ervan in de evangeliën, komen we uit op een sterfdatum van ergens tussen 28 en uiterlijk 36 na Christus. Keizer Tiberius regeerde van 14 tot 37, Pontius Pilatus was prefect van Judea van 26-36 en Kaiaphas was hogepriester van 18 tot 36.

 

 

Het begrip ‘geschiedenis’

Het begrip geschiedenis blijft lastig, want dit is in de loop der tijden steeds veranderd. In onze tijd wil men met historisch onderzoek een logisch proces reconstrueren waarmee gebeurtenissen uit het verleden verklaard worden en waarbij het tijdsbestek waarin die gebeurtenissen plaats vonden wordt meegenomen. Maar het blijft een gegeven dat alle feiten uit het verleden ook weer geïnterpreteerde feiten zijn en de hedendaagse historici zijn zich daarvan bewust. Maar zo ging het niet ten tijde van het op schrift stellen van de Hebreeuwse Bijbel en ook niet in de tijd toen de schrijvers van de evangeliën hun verhaal vertelden.

 

In de hellenistische wereld was de gangbare wereldbeschouwing platoons. De tastbare zintuiglijke werkelijkheid was niet zo zeer een materiële werkelijkheid maar een verschijning van een hogere werkelijkheid, de idee van het Goede van Plato. De tastbare werkelijkheid was slechts een afspiegeling van die eeuwige hogere werkelijkheid. Voor klassieke auteurs bevindt de echte werkelijkheid zich op ideëel niveau. Ook dromen en visioenen behoorden daartoe en werden dus beschouwd als een werkelijkheid van een hogere orde.

 

Daarbij komt dat, zoals in de Hebreeuwse Bijbel, ook in het Nieuwe Testament de historische gebeurtenissen ondergeschikt gemaakt werden aan de religieuze ervaring ervan. Het is dan ook deze religieuze ervaring die werd opgeschreven waarbij het historische feit terloops of soms helemaal niet werd vermeld en uit de context moest worden opgemaakt. Het Nieuwe Testament werd niet alleen geschreven om geschiedenissen te vertellen maar werd ook geschreven met een duidelijke bedoeling. Het Johannes-evangelie zegt dat ook: (Joh 20.31): […] ‘maar deze zijn opgeschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven, leeft door zijn naam.’ Het Nieuwe Testament, dat 40 tot 80 jaar na de dood van Jezus is geschreven, heeft niet als eerste opdracht om historische informatie te verschaffen, maar om een boodschap aan te leveren.

 

Deze analytische manier van kijken naar een oude historische tekst is pas in zwang gekomen sinds de ontwikkeling van de Bijbelwetenschappen vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. Historisch en taalkundig onderzoek, sociologie en psychologie leverden nieuwe inzichten op en dus nieuwe exegesen. Om een Bijbeltekst goed te begrijpen dient men de achtergronden te kennen, de context, en de historische ontwikkelingen. In het geval van het Nieuwe Testament dus niet alleen kennis van de leefwereld van het Midden-Oosten en met name Palestina, maar ook kennis van de rollen van Qumran, kennis van de Esseense geschriften, en kennis van de rabbijnse exegese. Maar de mensen die vanaf 100 na Christus de teksten gingen lezen, lazen gewoon letterlijk. Zij lazen wat er stond, zonder al die extra kennis. En hoe verder men verwijderd raakte van de beschreven gebeurtenissen, hoe meer men de teksten las met een eigen interpretatie, gevoed door de eigen leefwereld.


Welke woorden zijn van Jezus?

Er is oneindig veel geschreven over welke woorden van Jezus die we in het Nieuwe Testament lezen nu echt van hem zijn, en welke hem in de mond gelegd zijn. En welke gebeurtenissen echt hebben plaats gevonden en welke door de schrijvers ingevoegd zijn. Dat is belangrijk om te weten, maar nog belangrijker is om erachter te komen waarom bepaalde uitspraken en gebeurtenissen opgeschreven zijn. Het is immers de werkelijkheid van de schrijvers, de omstandigheden van het leven van hun tijd, die hebben bepaald wat opgeschreven moest worden. Geen van de schrijvers van het Nieuwe Testament heeft Jezus gekend en de tijd waarin zij schreven was de tijd van ná de grote opstand tegen de Romeinen, de Joodse Oorlog van 66-70 na Christus, waarin de joden radicaal verslagen waren. Het was de tijd waarin de joden enerzijds en de christenen anderzijds vijandig tegenover elkaar waren komen te staan, omdat de christenen boos waren dat de joden Jezus niet wilden erkennen als de Messias. Die christenen waren dan ook nog weer eens verdeeld in christenen die voorheen joods waren en christenen met een heidens verleden, en die hadden ook weer problemen met elkaar. Voor de joden betekende dit allemaal dat er een nieuwe groepering was ontstaan die een nieuwe gemeenschap vormde met eigen bijeenkomsten en eigen rituelen. Sommige joodse christenen bleven ook nog naar de synagoge komen. Mogelijk wilden zij bekeerlingen maken tot het christendom en dat maakte hen zeer verdacht in de ogen van de joden. De christenen verweten de joden dat zij Jezus niet erkenden als de Messias, en dat het joodse geloof een lege religie was geworden.

 

De vraag is dan ook: lezen wij in de evangeliën de werkelijkheid van Jezus of de werkelijkheid van de schrijvers? Of gaat het om het verlangen van de schrijvers naar een nieuwe werkelijkheid? Wij zullen het moeten doen met wat de teksten ons melden en daarbij de gebeurtenissen in de tijd van de schrijvers steeds in het achterhoofd houden.

 

Als we terugkijken naar de prediking van Jezus zien we een eenvoudige man uit Galilea die zijn joodse volgelingen voorhield dat het Rijks Gods spoedig zou komen. Zijn prediking paste volledig in een tijd die bol stond van apocalyptische verwachtingen: de verwachting dat de eindtijd nabij was, dat de vreemde overheersing zou eindigen en dat het heil zich zou aandienen. Men diende voorbereid te zijn, zich in vertrouwen over te geven aan God en zich te bekommeren om zijn naaste. Zo zou men het heil binnentreden. Jezus is duidelijk bekend met de gangbare discussies binnen de joodse farizese traditie en kiest daarbinnen soms een vrome en strikte houding, en soms ook een liberale benadering. Hij was een redelijk onafhankelijk denker. Zo houdt hij er een zeer strikte mening over echtscheiding op na: ‘Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden’. (Mt 5.31-32; Mc 10.9; Lc 16.18), maar is weer zeer mild over de sabbatrust: ‘de sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat’ (Mt 12.8; 12.11-12; Mc […]2.27). Jezus trok rond met zijn leerlingen, zoals meerdere predikers dat deden, en discussieerde met hen en leerde hen zijn boodschap: de boodschap van het komende Rijk Gods en het belang om daarop voorbereid te zijn. Jezus trok rond in Galilea en daar kwamen zijn leerlingen ook vandaan. Het was een zuiver en eenvoudig geloof en sporen daarvan vinden we terug in de evangeliën. Jezus noemde zichzelf nooit ‘Messias’ of ‘Zoon van God’. Het zijn zijn volgelingen die hem zo gaan noemen. Daarnaast vinden we in de teksten heel veel andere informatie over Jezus, zaken die eerder passen in een tijdsbeeld van vijftig jaar later. Jezus spreekt dan woorden die hij volgens de schrijvers gezegd zou hebben, of die hij volgens de schrijvers gezegd zou kunnen hebben.

 

De godsdienstwetenschappers van de 19e en 20e eeuw probeerden dit zo veel mogelijk in kaart te brengen, en de onderzoekingen gaan nog steeds voort. Opmerkelijk is dat voor het eerst in de geschiedenis ook joodse historici deel gingen nemen aan het Bijbelonderzoek. Tot aan die tijd had men zich niet of nauwelijks met Jezus beziggehouden, maar het voortschrijdende inzicht bracht aan het licht dat Jezus een jood was, met een joodse gedachtewereld en dat uit niets eigenlijk bleek dat hij het plan had om een nieuwe godsdienst te stichten. Jezus werd door deze joodse onderzoekers gezien als een joodse ethicus omdat alles wat hij beweerde op dit gebied uit het jodendom kwam. De meningsverschillen bleven, met name over de goddelijkheid van Jezus, en de joodse onderzoeken brachten veel opwinding. Maar ook de onderzoekingen van de theologen brachten onrust en leidden tot afwijzing ervan in de kerken. De natuurwetenschappen en het Darwinisme hadden in de 19e eeuw het traditionele wereldbeeld vervangen door een evolutionaire theorie en het letterlijk verstaan van de Bijbel was aan het wankelen gebracht. De controverse tussen geloof en wetenschap was niet op te lossen. Meer daarover in hoofdstuk VI.

 

De opbouw van het Nieuwe Testament

 

De oudste geschriften in het Nieuwe Testament zijn de brieven van Paulus. Er zijn er dertien, waarvan er slechts zeven echt van Paulus zijn en de rest van later tijd maar met gebruik van Paulus’ naam en autoriteit. De authentieke brieven zijn geschreven tussen 50 en 56 na Christus. (1 Tessalonicenzen; 1 en 2 Korinthiërs; Galaten; Fillippenzen; Filemon; Romeinen). De evangeliën en Handelingen zijn waarschijnlijk geschreven ná de Joodse Oorlog, dus na de verwoesting van de tempel, en zo’n 40 tot 70 jaar of nog langer na de dood van Jezus. Volgens de gangbare bronnentheorie zijn de evangeliën opgebouwd uit diverse lagen. Allereerst staan er korte uitspraken van Jezus in, de Logia, en korte verhalen over Jezus. Dat waren aanvankelijk mondelinge overleveringen die in een later stadium gearrangeerd en herverteld werden en tenslotte door redacteuren en schrijvers werden opgeschreven. Steeds opnieuw werd zo het materiaal gereviseerd en soms zelfs gecreëerd door de christelijke schrijvers. We spreken hier van de verschillende redactielagen.
De teksten van de drie synoptici, zo genoemd naar het Griekse sinopses – het naast elkaar in parallelle kolommen zetten – en het evangelie van Johannes zijn totaal verschillend. We weten niet wie de schrijvers zijn. Zij schreven onder de namen van de leerlingen van Jezus, maar waren zeker niet de schrijvers. Marcus en Matteüs, waren joden, Lucas was een Griek naar men aanneemt, maar geen van hen was identiek met de auteurs van het evangelie dat naar hen vernoemd is. Ook van Johannes weten wij niet wie hij is.

De meest bekende bronnentheorie is de volgende: het oudste evangelie is van Marcus. Hij schreef vlak na de verwoesting van de tempel in het jaar 70. Marcus maakte gebruik van de Logia en van de verhalen die de ronde deden. Dat laatste noemt men Q, van het Duitse Quelle, dat bron betekent. Lucas en Matteüs, beiden gedateerd rond het jaar 80, nemen alles wat Marcus vertelt over, en dus ook Q, en voegen daarbij eigen materiaal, aangeduid als M of L. Dat houdt in dat het evangelie van Matteüs bestaat uit Marcus plus Q plus M en dat van Lucas uit Marcus plus Q plus L. Het Johannes-evangelie is veel later geschreven, ergens tussen 95 en 110, of nog later denkt men nu, en heeft een eigen bron met eigen materiaal en bovendien een eigen tijdsrekening. Ook vertellen de synoptische evangeliën een ander verhaal dan het evangelie van Johannes. De synoptici gaan uit van de prediking in Galilea en het lijdensverhaal in Jeruzalem en dat zou een jaar geduurd hebben. Het Johannes-evangelie echter ziet Jezus’ prediking zowel in Galilea als in Jeruzalem en dat zou, volgens de feestdagen die genoemd worden, twee tot vier jaar hebben beslagen. Over het algemeen gaat men er van uit dat het publieke leven van Jezus langer heeft geduurd dan een jaar. Met name de hoeveelheid gebeurtenissen in het Johannes-evangelie zou gewoon niet passen in de tijdspanne van een jaar. Tegelijkertijd blijkt het niet mogelijk om na te gaan hoe de bewegingen van Jezus dan geweest zouden zijn.

Om de eerste geloofsgemeenschappen waartoe de schrijvers van de evangeliën behoorden in kaart te brengen, is een lastige taak. Het enige dat we hebben zijn de teksten. Zoals we gezien hebben zijn die teksten gelaagd en de laatste laag is de meest anti-judaïsche laag. Dat geldt voor Marcus en met name voor Matteüs en Johannes.

De lezers van het evangelie van Marcus vormden een samengestelde groep van joodse christenen en tot het christendom bekeerde heidenen. De laatste onderzoekingen wijzen naar een gemeente in Rome. Of het evangelie ook daadwerkelijk in die stad geschreven is kan niet met zekerheid worden vastgesteld, maar aangezien er zich opvallend veel latinismen in de Griekse tekst bevinden is een locatie in of rond Rome aannemelijk. Opmerkelijk is dat er in de tekst wordt verwezen naar vervolgingen en men gaat er van uit dat die verwijzingen slaan op de vervolgingen onder keizer Nero. Hij greep de grote brand van Rome in 64 aan om de Romeinse christenen van brandstichting te beschuldigen en te vermoorden. Over de datering is zowat iedereen het eens, het evangelie is geschreven tussen 65 en 75 na Christus, met een voorkeur voor een datum na de verwoesting van de tempel en de triomftocht van Titus in 71. Het evangelie van Marcus zal als model dienen voor de andere evangeliën.
Het evangelie volgens Matteüs is uit diverse ouderdomslagen opgebouwd en kent een ontwikkeling van ongeveer 50 tot 90 na Christus. In de vroegste laag worden joodse aanhangers van Jezus beschreven die zich nog volledig joods waanden. Dit waren christelijke joden die behoorden tot het jodendom en tegelijkertijd in Jezus als de Verlosser geloofden. De tweede redactielaag in de teksten van het evangelie geeft het conflict weer dat inmiddels tussen 70 en 80 na Christus ontstaan was tussen de christelijke joden en de joodse leiders. We zien Jezus hier vaak in boze gesprekken met de Schriftgeleerden en Farizeeën, en deze woordenwisselingen weerspiegelen de conflicten in de tijd van de schrijvers. De Farizeeën worden zeer negatief neergezet en er is steeds sprake van hoog oplopende geschillen. Dit kan niets meer met de werkelijkheid van Jezus van doen hebben. Het is een weergave van de werkelijkheid van na de Joodse Oorlog, toen partijen bezig waren uit elkaar te groeien. In de derde redactielaag, die tussen 80 tot 90 na Christus toegevoegd is, zien we reeds een breed scala aan christelijke gemeenten en daarbinnen profileren deze christelijke joden zich als volgers van Jezus die zij zagen als de Messias, de Zoon van God. In deze periode zou het evangelie zijn eindredactie bereikt hebben, tussen 85 en 90 na Christus. Deze eindredacteuren staan buitengewoon vijandig tegenover de joden. Tevens wordt duidelijk dat de gemeente van Matteüs niet meer deelnam aan de bijeenkomsten in de synagogen, maar eigen bijeenkomsten organiseerde.

De schrijvers van het Lucas-evangelie zijn tevens ook de schrijvers van Handelingen. Beide geschriften zouden ontstaan zijn tussen 80 en 90 na Christus. Men meende vroeger dat Lucas, een arts, de reisgezel van Paulus was en dus een heleboel zaken met eigen ogen gezien en gehoord zou hebben, maar inmiddels stelt men dat we eigenlijk ook over Lucas niets weten en dat we ook niet weten waar de bronnen liggen van de verhalen in Handelingen. De teksten vooronderstellen kennis van het Grieks en van de hellenistische wereld. Maar ook van het joodse leven en het joodse milieu. De lezers kenden zowel de heidense als de joodse religie en zij lazen de Septuagint. Maar ook allerlei christelijke elementen werden als bekend verondersteld en hoefden dus niet uitgelegd te worden. Lucas gaat ervan uit dat zijn lezers christenen zijn, en exegeten gaan ervan uit dat de teksten van beide boeken bedoeld zijn voor de christenen uit de heidenen en dan met name uit de kringen van de belangstellenden die tot de godvrezenden behoorden. Lucas, als Griek, probeert zowel de Romeinen als de joden te vriend te houden en is in zijn evangelie minder negatief ten opzichte van de Farizeeën.

Het evangelie van Johannes en de drie brieven van Johannes horen bij elkaar. Exegeten concludeerden dat de vier geschriften in vocabulaire, stijl en inhoud zeer veel op elkaar lijken en men noemt ze binnen het Nieuwe Testament dan ook de ‘johanneïsche literatuur’. Men gaat er van uit dat de tekst van het evangelie een lange ontwikkeling heeft gekend. Enerzijds zijn er veel overeenkomsten met de synoptische evangeliën, anderzijds heeft dit evangelie een heel eigen karakter waardoor het moeilijk is om de ontstaansgeschiedenis te reconstrueren. Men neemt aan dat het evangelie, evenals de brieven, geschreven is tussen 90 en 110 na Christus. Zowel Syrië als Efeze in Klein-Azië zouden als ontstaansplaats kunnen gelden.

De tekst van het Nieuwe Testament is in Griekse handschriften bewaard gebleven. De oudste papyrusfragmenten dateren uit 125-150 na Christus. De oudste manuscripten met de tekst van de Septuagint en het Nieuwe Testament, de codex Sinaïticus en de codex Vaticanus, behoren tot de vierde eeuw. Zij vertonen nogal wat tekstuele varianten.