‘Erotiek en mystiek zijn geen gescheiden werelden’ – Wim Jansen in Volzin

‘Erotiek en mystiek zijn geen gescheiden werelden

In zijn onlangs verschenen boek ‘Brandend verlangen – om op te gaan in God/Liefde’ vertelt Wim Jansen over dagelijkse Godervaring: mystiek van alledag. Wat houdt die Godervaring in? Waarom vergelijkt hij het met verliefdheid? Werkt God als neurotransmitter? En in de erotiek? Welke teksten inspireren hem? Waarom blijft hij het woord ‘God’ gebruiken? Dat alles in een jaar van corona-ellende. En kanker.

 

Wim Jansen: ‘Wij zijn niet gewend om verliefdheid een plaats toe te kennen als permanent levensgevoel’

Een mens is op aarde om verliefd te zijn. Dat is de sfeer die ik in mijn boek wil uitstralen. Maar we zien het breed: verliefd op het licht, het groen, de dieren, landschappen… Het is mijn ervaring van jongs af aan.

Uit deze verliefdheid op het leven is mijn Godervaring voortgevloeid. Mijn levensloop met God wordt gekenmerkt door die permanente gloed. De ontdekking van schoonheid in mijn puberteit liet zich als vanzelf verbinden met het woord ‘God’. Dat woord ontsprong als het ware als een soort lofprijzing aan de verwondering die ik ervoer in de natuur. Later werd dat uitzinnig verdiept in de ontdekking van de liefde van mijn leven, die ik in het boek Naomi noem.

Toen wij – tijdens een excursie met de godsdienstleraar – een nonnenklooster bezochten werd die koppeling tussen God en verliefdheid nog eens expliciet benoemd door een van de kloosterlingen. Op mijn vraag hoe ze haar leven met God ervoer zei ze zonder blikken of blozen: “Het is of je doorlopend verliefd bent.”

Dat antwoord is me altijd blijven inspireren. Aan het woord ‘verliefd’ voegde zich als vanzelf het beginrijmwoord ‘verlangen’ toe. Zo blijven dan: God, verlangen en verliefdheid. Een drievoudig snoer wat mij betreft, dat ik onderbreng in het woordpaar God/Liefde.

Lijfelijk

Wie serieus verliefd is, brandt vanbinnen. Hij teert op een innerlijke gloed. Van jongs af aan heeft het woord ‘God’ dat in mij wakker geroepen. Een gevoel van intense vrede. Als jongere natuurlijk niet doorlopend, integendeel, heel fragmentarisch. Momenten. Maar daarom niet minder intens.

Ik onderging het lijfelijk. Fysiek in mijn hoofd. Een warmte in mijn brein. Zonder dat ik het toen zo kon benoemen moet het liefde zijn geweest. En liefde produceert het stofje dat onze hersenen nodig hebben. Het stofje dat ons in de ruimte en in het licht zet. God/Liefde is de beste neurotransmitter. Ik ervaar het nog steeds zo als ik mediteer.

Wie serieus verliefd is, brandt vanbinnen. Hij teert op een innerlijke gloed. Van jongs af aan heeft het woord ‘God’ dat in mij wakker geroepen

WIM JANSEN

Ook in de erotiek zet God/Liefde zich voort als lijfelijkheid. De lijfelijke erotische gevoelens laten zich vergelijken met de geestelijke Godervaring. Een orgasme kan als ‘zalig’ worden beleefd en maakt iets als lofprijzing wakker. Het zijn dingen die ik in mijn boek benoem omdat de seksualiteit in onze samenleving verdieping en bezieling nodig heeft. De extase van Bernini’s heilige Theresa wekt onverbloemd de associatie met een orgasme. Terecht.

Erotiek en mystiek zijn geen gescheiden werelden.

Oerwoet

Over het algemeen reserveren wij verliefdheid voor de uitzonderlijke perioden in ons leven, bijvoorbeeld in de puberteit of tijdens een latere, veelal ongewenste opflakkering van onze hormonen. Wij zijn niet gewend om verliefdheid een plaats toe te kennen als permanent levensgevoel. Toch is dat precies waar ik voor pleit.

Daartoe moet ze echter geworteld zijn in een diepere laag van liefde. Een duurzame bron die ik God noem. Een bron waaraan je kunt vertoeven, oefenend in permanente verliefdheid. Inspirerende teksten kunnen daarbij helpen. Een paar voorbeelden.

Ik denk aan Psalm 63, een hunkerend liefdesgedicht in de nacht, waarin zowel de mystieke als de erotische component voelbaar is:

God, jij bent mijn God, jou zoek ik,
naar jou smacht mijn ziel,
naar jou hunkert mijn lichaam
in een dor en dorstig land, zonder water.
[…]
Liggend op mijn bed denk ik aan jou,
wakend in de nacht prevel ik jouw naam.
[…]
Ik ben aan jou gehecht, met heel mijn ziel.’

Is hier een verliefd iemand aan het woord of niet?

Ik denk ook aan de middeleeuwse mystica/dichteres Hadewych met haar verzuchtingen naar de minne, de liefde in en van God, die ze als een persoon met een eigennaam aanspreekt: Minne.

Ic groete dat ic minne
Met miere herten bloet.
Mi dorren mine sinne
Inder minnen oerwoet.

Net zo smachtend als Psalm 63, hartenbloed, dor en dorstig. En dat prachtige woord oerwoet. In dat woord zit alles: oer, woede, brandend verlangen. Precies wat ik in de titel van mijn boek heb willen weergeven.

 

Anders spreken over God

Etty Hillesum, met het hartstochtelijke aanhalen van haar ‘mijn God’, sluit hier naadloos op aan. Maar er is een verschil. Voor haar was het woord ‘God’ geen vanzelfsprekendheid.

Ze ging in eerste instantie niet uit van God of het bestaan van God, maar van een ervaring. Ik noem het nu maar: een ervaring van verliefdheid. Ze laat niet na telkens weer van die ervaring te zeggen: dat noem ik God. God is bij haar niet een wezen, maar een woord voor een innerlijke bron van liefde.

Het is een copernicaanse wending in het gebruik van het Godwoord. Het voert hier te ver om er dieper op in te gaan maar de theologische term voor dit andere spreken over God is: anatheïsme.

Voor veel mensen een bevrijdende manier om God ter sprake te brengen, zoals ik dat ook in Brandend verlangen praktiseer. Voorbeeld:

“In een tv-uitzending vertelde Dione de Graaf over het fatale ongeluk dat haar vriend Chris Götte, drummer van Blöf, jaren geleden overkwam, wat dat met haar heeft gedaan en nog altijd doet. Ook bracht zij het recente overlijden van haar vader ter sprake.

Deze ervaringen met de dood hebben haar veel kracht gegeven. Het riep ook een vraag bij haar op.

‘Je hoort mensen die geloven ook wel praten over kracht, maar dan dat ze die van God krijgen. Wat ik me afvraag is of dat misschien hetzelfde is. Of de kracht die ik heb opgebouwd hetzelfde is als wat zij aan God toeschrijven…’

Ik vraag het me niet af. Ik weet het wel zeker. Dat dat hetzelfde is. Wat doorgaans als ‘God’ wordt beschouwd, is niets anders dan een kwestie van naamgeving.”

Of hoe dat heet

Tenslotte Hans Andreus, de lievelingsdichter van mijn jeugd, die zich niet voor niets profileerde als ‘een dichter van liefde’. Hij ziet in de meeste gevallen af van het gebruik van het woord ‘God’. Heel veel van zijn gedichten worden gekenmerkt door een roes van liefde. Een zuidelijke sfeer van speelsheid en zonovergotenheid. Een mens op aarde om verliefd te zijn.

De metafoor die hij aanwendt om het geheim van zijn leven te duiden is: Licht. Hij weet zich voortgekomen uit en bestemd tot het licht. Maar ook die metafoor is inwisselbaar:

Gelukkig dat
het licht bestaat
en dat het met
me doet en praat
en dat ik weet
dat ik er vandaan
kom, van het licht
of hoe dat heet.

Zo heb ik in Brandend verlangen mijn lichtspoor willen uitzetten. In de corona-ellende en de kanker van alledag. Een spoor van verliefdheid op God – of hoe dat heet.

Wim Jansen (1950) is emeritus predikant van o.m. de vrijzinnige Koorkerkgemeenschap in Middelburg en schreef van mei 2019 t/m mei 2020 over ‘mystiek van alledag’. In dat coronajaar kreeg hij eveneens te horen van een ongeneeslijke kanker. Deze maand verschenen zijn bevindingen: Brandend verlangen – om op te gaan in God/Liefde. Zie ook zijn website www.wimjansen.nu.

 

(Visited 16 times, 1 visits today)