Trouw – Saïda

Saïda Aoulad Baktit was schoonmaakster in het ziekenhuis tot ze haar roeping vond als geestelijk verzorger

Saïda Aoulad Baktit. Beeld Hanne van der Woude

Saïda Aoulad Baktit wist van schoonmaakster in het ziekenhuis op te klimmen tot islamitisch geestelijk verzorger. Ze is in het Radboud UMC een vraagbaak voor patiënten en personeel.

Met een vader die het niet nodig vond dat ze haar school afmaakte, en een man die haar in een blijf-van-mijn-lijf-huis deed belanden, was het niet erg waarschijnlijk dat Saïda Aoulad Baktit (51) een bloeiende carrière zou opbouwen in het Radboud Universitair Medisch Centrum Nijmegen. Maar dankzij een kort gesprekje met een buurvrouw over de schutting heen kwam ze 25 jaar geleden aan een baan als schoonmaakster.

En van de ene baan kwam de andere baan. Nu werkt ze als islamitisch geestelijk verzorger in het Radboud UMC en geeft ze lezingen over, zoals ze het zelf zegt, ‘mijn expertise, de moslimpatiënt’. Een drietal predikanten die haar kennen, Jeroen Jeroense, Trijnie Nielen-Rosier en Karin Spelt, zijn zo van haar werk onder de indruk, dat ze een boek schreven. In ‘Saïda: van schoonmaakster tot islamitisch geestelijk verzorger’, beschrijven ze hoe ze als geen ander de waarde van het geloof voor moslimpatiënten aanvoelt. ‘Als moslima wist ze welke steun ze zelf van haar geloof had en wilde ze haar geloofsgenoten in moeilijke omstandigheden ook geestelijke steun bieden’.

Lange tijd was Aoulad Baktit de enige schoonmaakster die Arabisch sprak, en kon ze patiënten in hun eigen taal op hun gemak stellen. Dat groeide langzaamaan uit tot een rol als mediator tussen het ziekenhuis en allochtone patiënten, vertelt ze. “Ik ging het als een roeping zien om dit te doen. Intussen leerde ik veel over het ziekenhuis, en kreeg ik een sociaal-maatschappelijke functie. In de gesprekken met patiënten kwamen vanzelf ook geloofsvragen aan de orde. Op een dag viel mijn oog op een folder van de ‘dienst geestelijke verzorging’.”

Een heilige gebeurtenis noemt u dat, toch?

“Ja. Het was alsof een goddelijke kracht me leidde. Bij de dienst geestelijke verzorging en pastoraat bleken ze net op zoek te zijn naar iemand die iets voor moslims kon betekenen. Er werd een functie voor me gecre­eerd, zorgconsulent voor allochtone patiënten in Nederland. Ik leerde vervolgens ook meer over het geloof. Ook dingen die nieuw voor me waren. Van huis uit kreeg ik mee dat het de taak van de vrouw was om het huishouden te doen. Maar mijn ouders konden niet lezen of schrijven, en dus konden ze het geloof maar beperkt overdragen. Later, toen ik mezelf ging verdiepen in de islam, las ik bijvoorbeeld over Khadija, de vrouw van de Profeet, en de eerste vrouw die moslim werd. Zij was een succesvolle zakenvrouw – zij mocht dus kennelijk wel werken, dacht ik. Er zijn dus ook sterke, zelfstandige vrouwen in de islam.”

U voelde zich geroepen. Op welke momenten wordt dat aan u bevestigd?

“Elke keer als moslimpatiënten met vragen zitten. Geloof speelt een hele belangrijke rol in hun dagelijks leven, dus ook als je ziek bent. Neem het vijfmaal daagse gebed, waarbij je normaal gezien knielt op de grond. Als je niet uit bed kunt komen, houdt dat op. Ik kan ze dan vertellen dat ze ook liggend kunnen bidden. Of als iemand een stoma heeft. Mensen denken vaak: oh, dat is niet rein, dus hoe moet dat dan met de rituele wassing voorafgaand aan het gebed? Het is een emotionele belemmering die niet nodig is. Want kun je niet wassen met water, dan kun je ook een steentje gebruiken om symbolisch een rituele wassing uit te voeren. Je hebt binnen de islam een wet, voorschriften, net als bij het jodendom, waaraan je je hoort te houden. Maar je hebt altijd uitzonderingen, en ziekte is daar een van. Ik moet dat mensen vaak uitleggen. Dan is het: ‘Kan dat, mag dat wel, Saïda?’ Ik zeg dan: natuurlijk kan het, God is barmhartig. God is liefde. Doe het op jouw manier. Het gaat erom dat je contact maakt met je Schepper en aan hem denkt. Dat op zich is al bidden. Iets als een stoma mag je niet belemmeren in contact met je Schepper.”

Het klinkt alsof gelovigen standaard uitgaan van een strenge God.

“De meeste patiënten met wie ik te maken heb zijn oudere moslims, van de eerste generatie migranten. Naar mijn idee hebben die niet al te veel kennis over hun geloof. En dan gaan ze meteen van het strengste principe uit. Ze roepen met alles: ‘Dat is niet toegestaan in de islam’. Dat vind ik wel heel jammer, dat er zo weinig kennis en verdieping is. Ik weet: Allah wil niet dat je het jezelf als gelovige onnodig moeilijk moet maken. Je kunt niet meer doen dan in je vermogen ligt, dat staat ook in de hadith. En je hoeft niet de hele Koran uit je hoofd te kennen.”

Islamitische families willen soms niet dat hun zieke vader weet dat hij kanker heeft. Hoe kan dat? En hoe los je zo’n situatie op?

“Ja, het idee is dat je de zieke niet met zulk slecht nieuws moet belasten. Met goede bedoelingen, en uit liefde, hè? Dan zou je maar angstig worden, en je moet juist moed en kracht houden. Er zijn mensen die zo in onwetendheid over hun lot sterven. Maar niet bij ons in het ziekenhuis. Als ik dit soort gevoelens in een familie merk, wijs ik de arts erop, en zorgen we dat we er zeker van zijn dat de patiënt rechtstreeks met hem communiceert, zo nodig met behulp van een tolkentelefoon. Familie wil altijd wel vertalen, maar bij slechtnieuwsgesprekken is dat dus niet verstandig. Het kan levensgevaarlijk zijn als een patiënt niet weet hoe ernstig zijn of haar toestand is. Bijvoorbeeld omdat ze dan denken: ‘Ah, het is niet erg als ik mijn pillen een keer niet inneem’, niet wetende dat je een chemokuur niet zomaar een keer kan overslaan.

“De familie is zo betrokken, dat je eigenlijk niet in je eentje een patiënt behandelt, maar een heel familiesysteem eromheen meedoet. Er is veel zorg voor elkaar, veel bezoek, en iedereen praat je hoop en moed in. ‘Het komt goed’, ‘je ziet er goed uit’. Maar een patiënt kan soms ook eenzaam zijn, omdat hij of zij niet over de ziekte, angst en pijn mag praten. Het heeft dus een keerzijde. Daarom praat ik zelf ook altijd los van die familie met de patiënt. Ik vraag dan: ‘Wat doet het met jou?’ Ik kom patiënten tegen in die laatste fase, die bang en emotioneel zijn, maar niet de ruimte voelen om te huilen. Of ze zijn boos op Allah, vragen zich af: ‘Waarom is dit mij overkomen?’, terwijl de familie maar blijft praten over de ziekte als een lot dat je hoort te dragen.

“De familie is er trouwens niet altijd. Ik heb ook een Turkse homo meegemaakt die eenzaam een proces doormaakte, en heel verdrietig was dat hij dit met niemand kon delen. Als zijn familie dit wist, zou hij verstoten zijn, zei hij. Op zo’n moment ben ik er. En een jonge vrouw die in het geheim een abortus onderging, omdat ze gehoord had dat haar kindje het syndroom van Down zou hebben. Heel schrijnend om zoiets alleen te moeten doorstaan, en jezelf te moeten behoeden voor verstoting. Op zo’n moment ben ik een zus, een moeder: allebei.

“Let wel, de tijd staat niet stil in de islamitische gemeenschap. Families vertonen vaak een enorme generatiekloof. Een moslim die hier geboren is en op school en werk en bij Nederlandse vrienden gewend is om direct te communiceren, worstelt met hoe de eerste generatie dit soort dingen aanpakt. De een wil dit, de ander wil dat. Het zorgt voor veel verdriet en conflict binnen gezinnen, ook bij broers en zussen onderling. Een vraag als: in hoeverre moet mijn moeder lijden op de intensive care, is natuurlijk nogal een splijtend thema.”

Er zijn moslims die geen pijnbestrijding willen, omdat ze geloven dat het lijden een louterende werking heeft. Hoe gaat u hiermee om?

“Deze mensen geloven dat lijden er is om je zonden weg te wassen, ja. Sommige mensen willen dus juist het lijden dragen, omdat ze geloven dat je hier na dit leven voor beloond wordt. Dan kom je dichter bij de Schepper in het hiernamaals. Ook hier zie je dat positieve beeld van een ziekte weer terug: op deze manier is het dus een gunst van Allah dat je in het ziekenhuis ligt. Het is een gunst dat hij je deze beproeving schenkt. Pijn en lijden hebben dan een spirituele betekenis.

“Ik stel me hierin bescheiden op: wie ben ik, of wie is de dokter om te zeggen dat een patiënt aan een pijnbestrijdingsmiddel toe is? We bieden graag iets aan, maar de patiënt bepaalt zelf de grens van het lijden. Ik heb ook meegemaakt dat een patiënt de morfine zelf wel wilde, maar de familie niet. ‘Nog even volhouden’, zeiden ze. Maar toen ik een-op-een met de patiënt sprak, durfde die pas te zeggen: ‘Ik kan niet meer’. Dan zie ik het als mijn taak om ruimte te maken binnen de familie om de pijn te bestrijden.”

Heeft u ook weleens met euthanasie te maken?

“Het leven is heilig, en de dood bepaalt Allah. Dat zijn dingen die ik patiënten vaak hoor zeggen. Als het gaat om dit thema, is er wantrouwen jegens Nederlandse ziekenhuizen. Onder moslims bestaat het idee dat ze ‘de stekker eruit trekken’. Heel jammer, want dat klopt echt niet. Ik werk al 25 jaar in het Radboud, ik zit in het moreel beraad en bij de patiëntenoverleggen. Ze proberen echt alles. Ik denk dat dit misverstand op miscommunicatie berust. Als een arts het heeft over het ‘stoppen van de behandeling’, of ‘zinloos behandelen’, dan denken moslims soms al dat er op euthanasie wordt gedoeld. Zij redeneren: het heeft altijd zin, want het leven is heilig, en je leven en je  lichaam zijn een geschenk van Allah, dus je moet doorgaan met strijden tot je laatste adem. Families kunnen dan heel boos en opstandig worden. In dit soort gevallen heb ik vaak bemiddeld. Met een goede uitleg over wat artsen verstaan onder een goede dood, en kwaliteit van leven, komt het vaak op z’n pootjes terecht.

“Maar er zijn ook moslims die er anders over denken. Ik heb moslima’s meegemaakt die euthanasie hebben gepleegd. Ik ben daar persoonlijk op tegen. Maar als een ander, een moslim, zelf zijn of haar dood heeft gepland, dan begeleid ik dat gezin daarbij. Dat is iemands eigen keuze, leven en verantwoordelijkheid. Ik oordeel niet, want ik ben Allah niet. Ik hoef alleen verantwoording af te leggen aan God voor mijn eigen keuzes. Mijn taak is mensen bijstaan in kwetsbare omstandigheden, in nood, waarin zij moeilijke beslissingen moeten nemen. Ik respecteer hun beslissingen en geef ze de ruimte. Daar zijn mensen me echt dankbaar voor. Ik vind dat het mooiste van mijn geloof: het is tussen mij en onze Schepper. Ik heb geen contactpersoon nodig, geen gemeenschap nodig om verantwoording bij af te leggen. Die vrijheid heb ik, en dat geeft me een enorme vrede.”

Saïda. Van schoonmaakster tot islamitisch geestelijk verzorger, Uitgeverij Van Warven, € 19,95, 216 blz.