Recensie : Luisteren bij maanlicht

Luistern bij maanlicht cover_klein “Luisteren bij maanlicht

– een gang door het kerkelijk jaar met een oor naar de synagoge”.

De schrijver heeft menig boek op zijn naam staan op zijn zoektocht naar een theologie waarin het volk Israël met zijn tradities, gedenkdagen en feesten de plaats krijgt die het in de kerk toekomt. Hij zet zijn meditatieve uitleg van Bijbelteksten in dit boek in een bepaalde structuur: het kerkelijk jaar wordt gevolgd, maar de auteur begint niet met Advent. Hij begint bij Pasen/Pesach.
De titel Luisteren bij maanlicht wordt als volgt nader uitgelegd. ‘Maanlicht’ staat in het teken van het Joodse maanjaar tegenover het door de kerk gevolgde zonnejaar. Rond Pesach/Pasen is het ’t meest duidelijk dat de kerk zich ten diepste niet op het zonnejaar maar op het synagogale jaar hoort te oriënteren. Om de verschuiving met Pesach/Pasen op te vangen begint het leesrooster met de kerkelijke veertigdagentijd en het eind van de maand Adar, de maand vóór Nissan.
Psalm 72: 5 Moge hij leven zolang de zon bestaat, ´zolang de maan zal schijnen´ – is van toepassing op de titel. De letterlijke vertaling van het Hebreeuws is: ´voor het aangezicht van de maan´.
De toon wordt gezet door Exodus 31: 12 – 17. Daarin gaat het over het levensritme dat gegeven is met het Sabbatsgebod, dat een scheppingsordening wordt genoemd. Luisteren bij maanlicht is daarom: luisteren naar de Torah.
Hoe kan de Torah in de eredienst haar plaats krijgen? Het Sabbatsgebod wordt herhaald in Exodus 16, 20, 31 en 35. Er is een verband tussen de instructies voor de bouw van de tabernakel en de Sabbat. Het was niet verboden om op de Sabbat te werken aan deze bouw.
De bouwstenen voor de eredienst vinden we in het Israël-leesrooster. De kerk wortelt in Israël.
Belangrijk dat genoemd wordt, dat Pasen op gezag van keizer Constantijn de Grote (Nicea) door Romeinse dogma´s is losgekoppeld van Pesach, waardoor in feite Jezus wordt losgemaakt van zijn eigen bron.
Daarom sluit dit leesrooster aan bij de Joodse kalender. Deze oriëntatie op de Joodse kalender laat voldoende ruimte om ook expliciet rekening te houden met het eigene van het kerkelijk jaar.
Het meest verrassend is de keus voor de plaats en het karakter van de lezing uit het Nieuwe Testament. In het Israël-leesrooster gaat de nieuw-testamentische lezing consequent voorop – als inleiding op en toeleiding naar de hoofdlezing.
De beslissing om aan te sluiten bij de Joodse kalender en niet bij de Torahcyclus heeft tot gevolg, dat het Israël-leesrooster voor de hoofdlezing niet exclusief aangewezen is op de eerste vijf boeken, de kern van de Torah, maar ook gebruik kan maken van de Profeten en de Geschriften. Hierdoor vertoont het rooster de nodige afwisseling en is het vrij van systeemdwang.
In die zin is het ook bijzonder, dat dit rooster, anders dan bij het ´alternatieve Torahproject´ een expliciete verbinding legt met de zondagen van het kerkelijk jaar. Daarnaast is het ´alternatieve Torahproject´ problematisch vanwege een dwangmatigheid, omdat men via de beweging van de Torahlezing via de profetenlezing naar de evangelielezing uit wil komen bij Jezus als vervulling van de Wet en de Profeten.
Van harte wil ik dit boek aanbevelen als een meditatieve bijdrage aan de koppeling tussen Sabbat en tabernakel, tussen Torah en eredienst.

G.J.D.C.Loor